Verhalen over de Watersnoodramp

Ter voorbereiding op het toneelstuk “Brouwers’ Dam” hebben wij vorig jaar een aantal mensen geïnterviewd, die de watersnoodramp van dichtbij hebben meegemaakt.
Een deel van die verhalen is verwerkt in het stuk, maar niet alles komt daarin terug.
We willen u die verhalen toch niet onthouden en daarom plaatsen wij ze hier op de website! Het nieuwste verhaal staat bovenaan.

6. Het verhaal van Piet Vermeulen, was 10 jaar, woonde in Nieuwpoort

Het was zondagnacht erg slecht weer, storm en regen. We werden ’s ochtends wakker gemaakt en dat slechte weer was angstig. Er waren veel mensen op straat en er trokken allemaal mensen door de Poort, er was paniek. Ik wist toen niet waar ze allemaal vandaan kwamen, maar ze waren op de vlucht voor het water. Ik was natuurlijk nieuwsgierig, dus ik ging naar buiten, naar De Dam. We hadden geen telefoon dus als er iemand door de muurtjes aankwam vroeg je naar nieuws en zo ging het rond. Het water in de Lek stond heel erg hoog, ze hebben de muurtjes bij het Hooft dichtgemaakt met schotten. Wij hadden hier geluk. Voor het nieuws hier echt bekend was, wat er nou allemaal was gebeurd, was het al maandag. Later bleek dat er zoveel doden waren, maar dat wist je toen niet.

We gingen kijken bij de Lek en het water stond pal tegen de wal aan. Daar legden ze zandzakken neer, want het water vrat aan de wal. Het Hooft stond ook onder water. Naast het kerkhof had de gemeente vroeger een dal waar ze zand opsloegen, voor als het ’s winters glad was. Dat is nu dichtgemaakt, het is kerkhof geworden. Daar hebben we geholpen om zandzakken te vullen. Als je een schep had kon je meehelpen.

We mochten mee met een auto die zandzakken vervoerde, naar de Vuilendam. Daar woonde een oom. We mochten niet verder dan Brandwijk.

Nieuwpoort ligt hoger en tussen de wallen. Goudriaan en het Achterland moesten ook geëvacueerd worden. Als je bij de molen in het Achterland staat, scheelt het polderpeil van de voor- en achterkant al 75 centimeter.

De koeien werden in de Zwarte Schuur op de Achterweg gezet, die was daar toen ook voor om bij hoog water de koeien in te stallen. Daarna werd de schuur opslag voor hout, voor Voormolen. De koeien werden ook naar Langerak gebracht.

Burgemeester Brouwers was een rustige burgemeester, ieder boertje deed zijn hoedje nog voor hem af. Wij hadden er weinig contact mee, want zijn kinderen zaten op de christelijke school in de Waal.

Teuna Boele was 12 jaar, woonde in Molenaarsgraaf en vluchtte naar Nieuwpoort

Mijn ouders uit Molenaarsgraaf waren op bezoek bij mensen op de Vuilendam in Brandwijk. Ze zijn lopend naar huis gegaan, want ze konden niet tegen de wind in komen. Toen ze thuiskwamen werd mijn vader opgeroepen, want hij zat bij de dijkbewaking. ’s Ochtends kwam Jas den Adel met een bus en daar werden ik, mijn vader en moeder in geladen, met Van Engelen, mijn zus en haar man en kind. Ik wist echt niet waar we heen gingen. We kwamen om ongeveer 10 uur in Nieuwpoort aan, allemaal in hetzelfde huis, maar daar kon niet iedereen blijven.

Het huis was van familie, Maasland, ze hadden een winkel in het vroegere Rabobankgebouw aan de Buitenhaven. Maasland stond op de dijk, hij zei we gaan naar huis en dan zien we het wel. Zijn broer Co met wie hij in het huis woonde, was vrijgezel en zat in de kerk. Van daaruit ging Van Engelen verder naar Brabant, naar familie. En mijn zus ging naar Henk Ouweneel, de buschauffeur op de Hoogstraat. Mijn zuster woonde bij ons thuis in. Die meubels hebben ze opgestapeld en omhoog gezet, maar eigenlijk haalt dat niets uit. Als het water komt, worden ze daar ook nat.

Voor ons drieën was er ruimte genoeg in het huis van Maasland, want het waren twee vrijgezelle broers. Ik had het goed naar mijn zin in de Poort, want ze hadden er winkels.

Mijn andere zuster zat bij Prins in Graafland. Mijn vader ging met de fiets iedere dag naar huis, om alle katten en konijnen te voeren die op zolder zaten. Die kon je natuurlijk niet meenemen. De kelder stond vol met water, de weckpotten dreven er rond, en rondom het huis stond ook water. Maar de belangrijkste reden dat we weg moesten was, omdat ze bang waren dat de dijk zou breken en het water nog verder zou stijgen.

Er liepen wel honderden koeien op de Ammerse kade en op de dijk. Ze liepen achter elkaar aan. Op de Ammerse kade zijn nog twee mensen verdronken. Het water stond gelijk aan het wegdek, ze konden de weg niet zien en zijn het water in gereden.

Er zaten nog meer vluchtelingen in de Poort. De meesten zochten eerst familie op, maar via via werd je wel verder geholpen. Maar waar de rest van de familie zat, dat wisten de mensen eerst ook niet. Dat hoorden ze later pas.

Ik ben hier 4 of 5 weken naar school gegaan, naast de Hervormde Kerk in Nieuwpoort. Ik zat in het achterste lokaal, er stond een bakkerskar achter Van der Heul. Mijn vader is eerder naar huis gegaan, maar wij moesten toen nog hier blijven. Ook werden we nog ingeënt in Molenaarsgraaf voor we naar huis mochten. Waarschijnlijk vanwege de dode dieren in het water. En we konden nog kleding en schoenen uitzoeken in Molenaarsgraaf, ik heb toen nog schoenen uitgezocht.

Kees Boele was 11 jaar en woonde in Langerak

Mijn vader moest mij vasthouden, zo hard waaide het. En het water stond echt aan de dijk. Het was nog kantje boord.  

5. Het verhaal van de heer en mevrouw Van der Graaf

Die zaterdagavond was meneer Van der Graaf bij zijn vriendin Wil (nu zijn vrouw) in Nieuwpoort. Hij vertelt daarover:

Er was nog meer visite en tegen een uur of 11, half 12, wilde ik naar huis. Ik woonde in Groot-Ammers. Het waaide wel hard. Er was nog een vrouw uit Schoonhoven en die zei dat ze met me mee zou fietsen.

Het water bij de Veersedijk was toen zo hoog gestegen, dat je zo je handen erin kon wassen. We waren een klein eindje op weg, maar we konden haast niet tegen de storm in komen. Toen kwamen er mensen aan die zeiden: ‘Ga maar terug, want de pont vaart niet meer.’ We zijn teruggegaan, maar bij mijn vriendin waren geen bedden meer over, Wil woonde onderaan de Steiger. Op de Wal woonde De Kruijk, en die had nog wel slaapplaats over, daar hebben wij die nacht geslapen. Ik bij De Kruijk en zij bij zijn vrouw.

Wij werden ’s morgens wakker, omdat op het kale hoofd van De Kruijk allemaal regendruppels vielen, uit het dakraam. Toen we uit het zijraam keken, zagen we al een ongebruikelijk beeld: een meneer die ’s zondags nooit in de auto reed, vanwege de zondagsrust, kwam met zijn bestelauto de Wal afrijden. Wij gingen naar beneden en hoorden we wat er aan de hand was.

Geen kerk op zondag

Ik wilde wel naar Groot-Ammers, want daar woonden mijn ouders en die gingen op zondagochtend naar de kerk. Ze hadden de radio niet aangezet. De mensen vroegen mijn vader: ‘Kees waar ga jij naartoe?’ ‘Wat denk jij?’ zei mijn vader. ‘Naar de kerk, ‘t is zondag.’ ‘Nou er is geen kerk, want die zit helemaal vol met mensen uit Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf en Ottoland.’ Mijn neef, Huibert van der Graaf, de postbode van Groot-Ammers, wist ook nog van niets. Hij kwam mijn vader gewoon ophalen voor de kerk. Hij had ook de radio nog niet aangehad. Er was geen tv nog, de communicatie was toen veel minder dan nu.

Balken in de muur

Als voorzorg hadden ze in Nieuwpoort bij het Hooft de balken in de muur gezet. Dat zijn twee balken, waar ze klei of mest tussen stoppen. En zo hebben we het hier droog gehouden. Verder is in Nieuwpoort weinig gebeurd. In Zeeland wel. De vader van de latere dominee Flikweert, van de Hervormde Kerk in Nieuwpoort, logeerde tijdens het weekend van de watersnood bij Schippers in Nieuwpoort. Hij volgde een opleiding tot leraar, samen met de dochter van Schippers. Hij kwam uit Zeeland en zijn vader, moeder en broer zijn in die nacht verdronken.

Vluchtelingen in de Poort

Die vluchtende mensen kwamen al ’s zondagsochtends naar Nieuwpoort en er kwamen ook koeien. Bij De Kruijk waar ik die nacht geslapen heb, kwamen mensen uit Molenaarsgraaf. Er woonden toen ongeveer 900 mensen in Nieuwpoort, de nieuwbouw was er nog niet. Alleen die drie boerderijen net buiten de poort en 2 huizen aan de Singel. De rest was weiland.

Op een avond ging ik naar de verjaardag van mijn schoonmoeder, in Nieuwpoort. Toen stond er voor de Hervormde kerk, op het kerkplein een hooipers, volgens mij van de firma Verhoef uit Langerak, om hooi te persen voor al die koeien die hier gekomen waren. Daardoor was het wel een gigantische troep op straat.

Die koeien werden gedropt bij de boeren in Langerak en we hadden ook een paar boeren in Nieuwpoort. Hier werd een koe neergezet, daar werd een koe neergezet. Het was februari, dus de koeien moesten op stal staan. Provisorisch werd er dan een plekje gemaakt.  Aan de Buitenhaven woonde Goof Slob, hij kreeg familie Romijn ingekwartierd. Toen schreef hij in de Statenbijbel: ‘De Romeinen komen naar Nieuwpoort’. Dat was leuk.

Sommige mensen die hier naartoe gevlucht waren, zijn hier blijven hangen. Familie Boer uit Ottoland is in Langerak blijven wonen. Ook in Groot-Ammers is een familie gebleven en melkboer geworden.

Zandzakken vullen

Bij Graafland heb je die rotonde en de weg naar het Schoonhovenseveer, dat was toen allemaal nog zand. Daar werden zandzakken gevuld. Er lagen allemaal ijzeren platen op die weg, dus er kon met wagens op gereden worden. Toen hebben ze mij en een heleboel andere mensen gevraagd om hulp. We hebben de hele nacht van zondag op maandag zandzakken staan vullen. Er zijn heel veel zakken naar Schelluinen gegaan. In Ottoland werden ze op zolderschuiten geladen, richting Gorinchem gebracht en daar werd de kade versterkt. Dat hebben we nachten gedaan.

Rommel aan de dijk

Er was geen schade aan de dijk. We hadden alleen last van al dat riet dat aangespoeld was, daak noemen ze dat. Ik heb die maandag niet gewerkt, alleen maar zand geschept. Ik werkte toen op de Betonfabriek bij het Schoonhovense veer. Daar hadden we behoorlijke kademuren, maar daar was het water gewoon overheen gekomen. ’s Woensdags ben ik weer aan het werk gegaan. Bij ons op de fabriek lagen hele lagen van dat daak, dat hebben we met elkaar opgeruimd.

Uiterwaard ondergelopen

De mensen die in Groot-Ammers buiten de dijk woonden hadden schade, die hadden allemaal water in het onderhuis gehad. Die uiterwaard, waar nu het tennisveld is, die stond helemaal onder water. Dus die huizen daar hadden allemaal water gehad. Maar dat gebeurde wel vaker in februari als het hoog water (bovenwater) was. Dat was sneeuwwater uit de bergen. Als jongens probeerden wij wel eens, waar nu de olietanks zijn bij gebr. Den Hartog, of we met onze klompen een geultje konden maken. Zodat het water binnenkwam. Een kwajongensstreek natuurlijk, dat hadden ze liever niet.

Ongeluk

Meneer Fuik Noorland is met zijn auto de kade bij de Kikker afgereden. Hij woonde bij het kerkhof in Groot-Ammers.

Over Mourik en burgemeester Brouwers

Dat Mourik geholpen heeft bij het dichten in de dijk heeft wel in de krant gestaan. Toen was het nog een kleine firma, maar het is nu een groot bedrijf. Ik heb jarenlang krantenknipsels bewaard, maar die heb ik aan de Historische Kring gegeven.

We kenden burgemeester Brouwers goed, want hij heeft ons overgetrouwd. Een hele aardige man. Ze hebben altijd beweerd dat zijn vrouw een vriendin was van de toenmalige koningin, Juliana. Die hebben hier jaren gewoond. Er is een oude film waar hij op staat. Hij staat aan de stoep in Langerak en als hij uitstapt zegt hij: ‘In Nieuwpoort kunnen ze goed leven van een paar perenbomen en een stukje land.’ Daar stak hij een beetje de gek mee. Op de Wal had je hele hoge bomen en daar zaten altijd ’s nachts koppels kraaien in om te overnachten. Daarom noemen ze Poorters ook kraaien.

Dode kadavers

De zuster van mijn vrouw had een vriend op Sliedrecht. Die zei: ‘Het is hier zo erg, er drijven allemaal dode kadavers.’ Daar hebben we haar nog lang mee geplaagd.

Nieuwpoort in 1953

In de jaren ’50, tijdens de watersnood, hadden wij veel winkels in Nieuwpoort. Twee bakkers, twee slagers en kruideniers. Een vrouw op de Hoogstraat die wat verkocht, Witzier en de buurman en bij Klaas Renes, naast het café had je een winkel, de bank, groenteboer, bloemenwinkel en bakker op de Binnenhaven. Je hoefde nergens naar toe, alles was in de Poort te halen. Er waren ook een paar kolenboeren. Elke maand werd er geld opgehaald voor de waterleiding en elektriciteit. De huur werd opgehaald door de gemeentebode. Dat is allemaal veranderd.

4. Het verhaal van meneer en mevrouw De Bondt, Vlietzicht 201

Mevrouw de Bondt was 14 jaar op 1 februari 1953 en woonde in Molenaarsgraaf, Graafdijk West, bij de Giessendamse Binnenvliet.

Het stormde vreselijk en ik moest oppassen bij de buren. De kachel stond heel hard te loeien. Toen ik thuiskwam ben ik naar bed gegaan. De volgende ochtend om 6 uur stond de politie aan de deur. Ze vertelden dat we weg moesten omdat de dijk in Papendrecht doorgebroken was. Mijn moeder zei: ‘O Piet waar moeten we nou naar toe? Moeten we maar naar Den Donk?’ Dat is niet gebeurd. Er stond nog een pan met ballen gehakt op de kast en die hebben we eerst nog opgegeten. Maar de boer aan de overkant van de Graaf had zijn koeien losgemaakt en die ging weg. Dat vonden we zo raar, al die koeien de dijk uit. Mijn moeder zei: ‘Hij is gek, wie doet dat nou zo?’

Drie weken van huis

Om ongeveer 12 uur kwam er een open vrachtwagen en daar zaten mijn vader, moeder, zus en ik op. Ook de buren en twee zusters gingen mee. Eén was doof en één blind, ze droegen van die lange zwarte jurken. We reden naar Nieuwpoort toe en wij zijn op Gelkenes terechtgekomen. Eerst zijn we naar familie Slob gegaan, maar die konden ons niet hebben. Toen kwamen we bij de familie Rozendaal en daar zijn we een paar dagen gebleven. Daarna ben ik voor twee weken naar familie in Rotterdam gegaan, mijn moeder en zus bleven op Gelkenes. Mijn vader is eerder teruggegaan naar Molenaarsgraaf. We hadden geen water in huis gehad, maar wel in de schuur. Ze hebben toen een pomp op een betonnen platform naast de kaai geplaatst om te malen en mijn vader heeft die pomp bediend. Na drie weken ben ik thuisgekomen, want ik moest ook weer naar school.

Te paard op de vlucht

Mijn nichtje kwam uit Bleskensgraaf en was toen al dol op paarden. Toen ze weg moesten vanwege het water is ze op haar paard naar Groot-Ammers gaan. Maar het ijzelde en hagelde zo vreselijk hard, die is toen bijna bevroren op haar paard. Al die koeien gingen over de Lekdijk en alles liep door elkaar. Eén koe is dol geworden van de stress, die hebben ze doodgeschoten.

Meneer de Bondt was 18 jaar en woonde op Sluis 80, bovenop de dijk bij Streefkerk.

Mijn moeder was naar een toneelstuk in Groot-Ammers, ongeveer een kwartier lopen vanaf ons huis. Maar ze kon niet tegen de wind inlopen. Dus die mensen waar ze was, belden ons op en toen hebben mijn broer en ik samen mijn moeder tegen de wind in naar huis geduwd. Het water stond bij mijn huis zo hoog aan de dijk dat ik mijn handen in het water kon wassen. Het was een noordwestenwind en die geeft het hoogste water.

Gasten over de vloer

Om 6 uur werden we gewekt, door de familie Blom, vader, moeder en twee dochters. Zij woonden op de Vuilendam (red.- in Brandwijk) en wij huurden ons huis van hen. Zij hadden bedacht dat ze naar ons toegingen, omdat wij bovenaan de dijk zaten. Hoog en droog. Zij hadden nog geen water, maar het water liep achterom (red.- door de polder) en kwam wel Ottoland binnen tot aan de Vlietenbrug. De kaai langs de boezem was gelukkig sterk genoeg, die hield het water tegen. Anders had het water tot aan Groot-Ammers gekomen. Vrouw Blom was dementerend.

Wij hadden een ontzettend groot huis. Het was vroeger een kaaspakhuis geweest met daarachter een aangebouwde woning. Mijn zus was getrouwd en woonde er ook, in het onderhuis. Nu staat het er niet meer. Er kwamen nog meer mensen logeren, waaronder twee vrijgezelle dames van in de vijftig en familie IJzerman van de Vuilendam. Wim IJzerman sneed koeienpoten schoon, een pedicure voor de dieren. Ze hadden zes kinderen bij zich. Op zolder lagen appels en peren. Wij moesten daar met de andere kinderen, die bij ons kwamen, gaan slapen. Hun ouders sliepen in de kamer van mij en mijn broer. Dat was keten, want we gooiden met die appels en peren naar elkaar. We hebben wat gelachen, dat was echt leuk. Die familie is nog ruim 3 weken gebleven. Er was niet veel water in de Vuilendam, maar het gebied werd nog niet vrijgegeven. Ze moesten eerst zeker weten dat het veilig was. Daarom ging mijn schoonvader ook malen in Molenaarsgraaf. Die familie had wel iets schade.

De Lek bij ons huis was zeker 200, 300 meter breed. Het was zo’n angstig gezicht. Je zag helemaal niks van de uiterwaarden, het water stond van dijk tot dijk. Omdat het zondag was hoefde mijn vriend, bakker Gerrit van der Grijn, niet te bakken. We gingen ’s ochtends vroeg in Gelkenes kijken. Daar ploeterden de biggen tussen de kazen, die dreven in het voorhuis, de opkamer van familie Boon.

Van hot naar her met koeien

’s Ochtends werden we opgeroepen, we moesten allemaal naar het Fortuijnplein in Groot-Ammers komen. Er was één burgemeester voor Groot-Ammers, Nieuwpoort en Langerak, burgemeester Brouwers. Hij vroeg of wij overal in Molenaarsgraaf en Brandwijk de koeien wilden halen. Die boerderijen waren toen nog niet zo groot als nu, een boer had hooguit 20 tot 30 koeien, maar die kon hij niet alleen verplaatsen. Dus wij gingen helpen en brachten al die koeien naar Groot-Ammers. Daar zat een groep mensen en die verdeelden alle koeien, dus bij Piet moet je twee koeien brengen en bij Aai drie koeien enzovoort.

Toen we ze allemaal hadden weggebracht, werd de situatie zo kritiek dat het Achterland onder water zou lopen. Dus toen zei de burgemeester: ‘Haal de koeien maar weer terug’. Dat hebben we gedaan, want er moest ruimte blijven voor de mensen uit het Achterland. We hebben heel de dag heen en weer gereden. Al die boerderijen moesten ook leeg, die mensen moesten geëvacueerd worden naar de dijk in Groot-Ammers. En tegen de avond liepen de koeien uit Molenaarsgraaf en Brandwijk dus tussen Groot-Ammers en het Schoonhovense Veer langs de dijk. Daar konden ze niet blijven en de volgende dag zijn ze met vrachtwagens naar de veehallen in Utrecht gebracht. Het was geen gezicht al die dieren aan de dijk, het waren er duizenden. Het was ook ontzettend koud, maar die koeien waren slim, ze stonden allemaal in de luwte. Heel veel mensen hebben er van die dekkleden op gelegd. Maar hoe ze gemolken zijn, dat weet ik niet.

Het water dichtbij

’s Nachts ging ik naar het Nieuwe Veer, bij Streefkerk. Daar ging het water al over de dijk, er was een stuk uit de dijk geslagen. In de bocht sloeg het water precies in de dijk, een punt op het noordwesten. Je zit daar ook meer naar de zee toe. Toen hebben we duizenden zandzakken ingegooid, want als die dijk het niet gehouden had daar, was er een blok van 10, 12 meter water door de polder geraasd. Dan hadden Molenaarsgraaf en Brandwijk onder water gestaan.

Mijn moeder zei altijd: ‘Tegen water en wind is niet te vechten’. Daar hebben we met een club verschrikkelijk hard gewerkt. Je moest door blijven gaan. De mensen die daar woonden hadden boterhammen klaargemaakt, die kon je tussendoor opeten. Dat was het ergste wat ik toen heb meegemaakt, het was zo kritisch. Het water stond al halverwege de dijk, de straatstenen waren er tot halverwege de dijk al uit. Later dacht ik nog wel eens, als de dijk toen doorgebroken was, dan had ik meegegaan.

Hout van de overkant

Ik ben één dag thuis geweest. ’s Maandags gingen we kijken hoe hoog het water was. Er was een bocht in de dijk, daar lag allemaal hout waar ze kozijnen van maakten, in het water tegen de dijk aan. Dat kwam van de Concurrent, een timmerfabriek aan de Bergstoepseveer in Bergambacht. Ik kon zo 15 meter de Lek inlopen. Meters dik hout, het leek wel een vlonder.

Roeiend naar het werk

Ik werkte toen bij Minkema, een fabriek aan de buitenkant van de dijk net buiten Nieuwpoort, waar nu autobedrijf Van der Wal zit. Vanaf de dijk in Langerak zag je die fabriek, die iets hoger stond. In het magazijn stond ongeveer 15 cm. water. Maar om die fabriek heen stond metershoog water. Dus op de dijk stapten we in een roeiboot en zo vaarden we naar die fabriek. Het was maar een klein stukje.
In Langerak was een binnenvaartschip uit de haven gewaaid, die lag schuin tegen de dijk aan. Maar daar zitten ze al iets hoger, dus het was daar minder kritisch.
 
Het ongeluk

Er waren mensen naar de Graaf gegaan. Ze werden opgehaald door kennissen of familie om spullen uit de Graaf (gebied langs de Graafstroom ter hoogte van Molenaarsgraaf en Brandwijk – red.) op te gaan halen. Ze dachten dat dat onder water zou lopen. Bij de Ammerse Kaai, ter hoogte van de Kikker, reed die man met zijn auto rechtdoor, het water in. Twee mannen zijn verdronken, dat vergeet je niet.

Opruimen en herstellen

We mochten niet op de dijk, want daar werd gewerkt en opgeruimd. We moesten langs de kanten naar school lopen.

Firma Mourik

Meneer de Bondt weet nog dat Firma Mourik net begonnen was met een paar auto’s. Ze hebben daar een paar auto’s met zand in het gat gelost.

Ze hebben hier vlakbij het zand uit de grond gehaald, voor de zandzakken en om het gat bij Papendrecht te dichten.

3. Het verhaal van de heer Henk van Middelkoop (04-05-1944), 9 jaar in 1953, en mevrouw Johanna Middelkoop-Vink (07-05-1940)

De heer van Middelkoop vertelde dat hij op de zaterdagavond met zijn moeder en broer naar een verjaardag ging van een neefje op Lekdijk 10. Op de terugweg was de wind zo hard dat zijn broer achterstevoren op de fiets moest zitten bij moeder, omdat zijn adem werd afgesneden. Plotseling kwam vader van Middelkoop op de motor, wat hij nooit deed, hen tegemoet rijden om ze mee terug te nemen. Hij ging voor rijden om moeder uit de wind te houden, zodat het gezin terug kon komen op Lekdijk 50.

Het hele gezin ging naar bed, onwetend wat er nu precies aan de hand was, want men had geen informatie over het weer en ook had men geen weet van het moment van springvloed.
De zondagmorgen werden ze wakker van onbekende angstaanjagende geluiden die rondom het huis werden gehoord. Vader moest om 6 uur hun 2 koeien gaan melken en zag de schuimkoppen over de dijk, tegen de ruiten van de boerderij aanvliegen. Er was geen elektriciteit en er werd met kaarsen licht gemaakt.

Rond 9 uur kwam de buurvrouw, wat heel ongebruikelijk was. De buurvrouw wilde in haar angst haar heil zoeken onder het woord en in gebed in de Kerk. Uiteindelijk heeft ze daarvan afgezien, omdat het onmogelijk was om er te komen.
Tegen de middag kwamen vanuit het Westen de eerste koeien de dijk uitgelopen, de meeste waren “droge koeien en pinken”. De melkkoeien waren er tussen Groot Ammers en Langerak er al uitgehaald.
Als een boer geen plaats meer had of geen vee wilde stallen, plaatste hij hekken bovenaan de stoep.

In het leegstaande gebouw van de school in de Waal werden ook koeien gestald. Die bleven daar tot de boerderijen in Molenaarsgraaf e.o. weer in gebruik waren en werden verzorgd door 2 jongens, die meegekomen waren uit Molenaarsgraaf. Deze jongens waren ingekwartierd bij mensen in de buurt, zodat ze de koeien konden voeren en melken. De fietsenstalling werd gebruikt om hooi in op te slaan.
De vloeren van de school bleken dermate zwak dat het gevolg was dat er regelmatig een koe door de vloer zakte.

Koeien hadden blikken plaatjes met een nummer in hun oor. Deze correspondeerde met een schetstekening van de koe die erbij werd bewaard, waardoor later de meeste koeien konden worden teruggevonden en aan de eigenaar werden teruggegeven. Desalniettemin werden toch diverse koeien vermist, sommige waren onderweg verdronken.

In het “Boveneind”, ter hoogte van Lekdijk 10 en 11, was de dijk erg slecht en men vreesde voor een doorbraak. Er lag daar veel gesneden riet in het water. Er werd het verhaal verteld dat iemand aan een touw, waarschijnlijk de heer Slob van Lekdijk 11, die bekend stond als een “durfal”, aan een touw te water werd gelaten. Zo kon hij het riet bij elkaar brengen om er zo schoven van te maken, die tegen de dijk werden bevestigd, zodat dat nog enige bescherming zou bieden tegen het afkalven van het dijklichaam.

2. Gesprek met de heer en mevrouw Den Hartog, Langerak

Beiden hebben de watersnood in de regio intensief beleefd, beide waren 12 jaar oud.
Dhr. Den Hartog vertelde: hij woonde toen in Groot Ammers aan de dijk ter hoogte de afrit naar de voetbal en de sporthal de Reiger. Het ouderlijk huis stond direct aan de dijk en zij hadden veel van het water te vrezen en waren zich daar goed van bewust.

Op zaterdag was het al hoog water en ging er veel dreiging uit van de rivierarm de “Nes” het gebied tussen de zomerdijk en de “Lekdijk” en tussen oliehandel den Hartog en ongeveer de tennisbaan stond vol met water. Op dat stuk land waren toen de voetbalvelden en daarbij stond een houten voetbalkantine.

Wat den Hartog tegen de avond zag was ongelofelijk de hele voetbalkantine, die normaal op betonnen palen stond en aan de grond stond verankerd, dreef als een boot tegen de dijk aan en ramde zo stukken grond uit de dijk. Mede door dit gebeuk en de rollende golven tegen de dijk aan werd de dijk aan de rivierzijde uitgehold en werd hij steeds slechter in de loop van de nacht. Omdat het van zaterdag op zondag springtij, dat betekent extra hoogtij, zou worden was het een kritieke situatie.

Op zondag morgenvroeg ging hij naar de dijk en alarmeerde zijn ouders. Zij schrokken want het riet lag al op de weg en golven sloegen over de dijk. Mevr. den Hartog vertelden dat in de Herv. Kerk van Langerak de dominee alle mannen opriep om te gaan helpen om de dijk te versterken. Op die zondagmorgen kon je vanaf de dijk je handen wassen in het rivierwater, zo hoog stond het water. Maar het waaide zo hard dat het op de dijk niet veilig was, je kon niet normaal in de wind blijven staan.

Ook ter hoogte van de stoep naar de “Ammersekade” deed zich een ernstige situatie voor. Aan de overkant in Bergambacht lag buiten de dijk, bij een timmerfabriek, een heleboel hout gebundeld opgeslagen. De grote bundels hout van ongeveer 5 bij 2,5 m. waren gaan drijven, en kwamen tegen de dijk aan. De houtbundels beukten op de dijk, waardoor het een soort stormram was geworden. Rond 12 uur op zondag morgen zakte het water gelukkig iets waardoor het eerste gevaar geweken was.

De een zijn dood werd de ander zijn brood. Op dinsdag brak de dijk bij Papendrecht door, waardoor het water in de Lek iets lager werd en de druk van de dijk werd genomen. Hierdoor is de “Lekdijk” bij Groot Ammers gespaard gebleven is de overtuiging van meneer den Hartog.
Deze doorbraak bracht met zich mee dat vele boeren en hun vee vanuit het westelijke deel van de Alblasserwaard naar hoger gelegen gebieden trokken. Den Hartog vertelde dat er hele kuddes koeien over de dijk liepen die hier en daar door boeren werden opgevangen als ze ruimte hadden. Zo werd vee door collega’s mee genomen en ondergebracht. Of iedereen na de watersnood zijn eigen koeien heeft kunnen terugvinden blijft twijfelachtig, ook is er vee verdronken onderweg, als het water terecht kwam en niet konden worden gered.

Een zeer triest verhaal speelde zich af tussen Brandwijk en Groot Ammers. Een boer genaamd Noorlander had een broer in Groot Ammers wonen, deze verzocht zijn broer om een vrachtwagen te regelen en samen met een chauffeur genaamd Koos, de zoon van Zeger van der Ham, om hem met zijn koeien op te halen en naar Ammers te brengen. Toen de wagen met koeien was ingeladen vertrokken ze richting Groot Ammers. Het water kwam echter zo snel achter hen omhoog dat ze werden ingehaald en de weg niet meer konden zien. Ze raakten letterlijk de weg kwijt. Hierdoor is de vrachtwagen gekanteld en in het diepere water gekomen waardoor de beide broers Noorlander zijn verdronken.

1. Het verhaal van de heer en mevrouw Rozendaal.

“Wij woonden aan de binnenkant van Gelkenes en aan de overkant stond de boerderij van familie Boon. Waar nu het zwembad is. Die boerderij stond buiten de dijk. Teunis van Vianen woonde naast ons. Die wind op zaterdag 1 februari 1953, daar begon het mee, was echt verschrikkelijk. Daardoor waaide er eerst een gat in het dak van familie Boon. Alle buren kwamen helpen om ‘hekkes’ op het dak te leggen.”

Man en koe te water
“Later kwam het water omhoog en toen moesten alle varkens uit de schuur, want die stond lager. Die varkens zijn naar boven, op de dijk gebracht, maar we weten niet meer waar ze naartoe gegaan zijn. Toen kwam het water nog hoger, en dus moesten de koeien ook uit de schuur gehaald worden. De familie Boon wist niet waar die koeien naartoe moesten, maar dat wist meneer Rozendaal wel.
‘Ik ga naar vrouw Eegdeman met de koeien’. Dat is tegen Groot-Ammers aan, in de boerderij waar nu fietsen verkocht worden (red. – Bakker). Boer Boon en zijn zoon hielpen mee. Maar toen zijn zoon een koe vasthad en de stoep naar de dijk opliep, werden hij en de koe meegetrokken door het water. Door alle houten troep in het water kon hij er zelf niet uitkomen.” Meneer Rozendaal en Eegdeman hebben hem eruit gehaald. “Het was nog maar een klein stukje de stoep op, je kon je handen wassen aan de dijk. De vrouw van die zoon, Sjaan Boon, leeft nog. Een andere buurman, Van der Ham, gaf de drenkeling het advies om ‘nakes’ tegen Sjaan aan te kruipen, zo zou hij wel opwarmen. Hij was zo koud, het was echt verschrikkelijk, echt een toestand. Er is geen vee verdronken, want die koe is zelf naar de kant gekomen en die hebben ze er toen uitgetrokken.”

Reddingsactie
“We zijn de hele nacht bezig geweest.” Mevrouw Rozendaal was echt bang dat het water over de dijk zou komen. Meneer had geen tijd om angstig te zijn, hij had het veel te druk. “Oude vrouw Boon zat op zolder, die wou er niet af. Dat is nog een heel spul geweest om die vrouw beneden te krijgen. Ze wou haar spulletjes niet achterlaten. Maar dat kon niet, want die boerderij kon wel instorten. De boerderij stond dichtbij de dijk. Dus we hebben en plank van de dijk in het raam gelegd. En zo hebben we haar naar beneden gehaald. In de boerderij van Boon zijn ze later weer gaan wonen. Wij hadden verder geen schade.”

2 Februari 1953 – Vee op de dijk
“’ s Zondags kwam er allemaal vee de Boezemkaai uit, de dijk op, uit Ottoland en Bleskensgraaf. Iedereen die wat ruimte had, nam vee op. Bij ons stonden er twee pinken in een piepklein schuurtje. Die hebben er een week gestaan. Van koeien werden toen schetsen gemaakt, tekeningen, dat waren soort eigendomsbewijzen. Dus de boeren konden hun koeien wel terugvinden. Maar iedereen had vee, en ze moesten ook nog eten hebben. Dat haalden we bij een ander in de buurt. Die koeien zijn later weer teruggegaan naar de boer. We hebben ze niet zomaar van de dijk gehaald, het werd wel gemeld. Hoe het met de melk van al die koeien ging, weten we niet meer. Die moesten ook gemolken worden, maar waar die melk naartoe gegaan is?”
Meneer Rozendaal haalde melk op en ging zondagsochtends gewoon aan de slag. Hij had geen oog dichtgedaan. “De melk moest naar Schoonhoven, maar daar kon je niet komen. Dus bracht ik de melk in Gorinchem, daar stond geen water. We zijn ook wel eens Vianen rond geweest.”

Verdronken bij de Kikker
“Er is toen ook nog een vrachtwagen te water gegaan, met een jongen die woonde vlakbij ons, een man en een boer die op de Haarsteeg in Groot-Ammers woonde. Ze gingen spullen halen. Die twee mannen zijn toen verdronken en die jongen is eruit geklommen. Ze zijn bij de Kikker (langs de Ammerse Kaai) het water ingereden. Ik denk omdat het water op de weg stond en ze de kanten niet meer konden zien. Zo hoog was het water al. Die mannen, zwagers van elkaar, zijn toen verdronken. Die jongen heeft ze nog geprobeerd eruit te trekken, maar het lukte niet. Ze hielden elkaar vast, dat heb je wel meer met drenkelingen. Ze willen elkaar dan redden. Het was een en al ellende.”

Het nieuws verspreidde zich
“We hoorden over het gat in de dijk van Papendrecht, doordat dat praatje rondging. Familieleden belden met elkaar en zo ging het nieuws verder. We hadden de hele dag de radio aan. Zo hoorden we nieuws uit Zeeland, dat het allemaal zo verschrikkelijk was. Maar we hebben pas later gezien hoe erg het eigenlijk echt was, omdat we toen geen tv hadden.”
“In Bleskensgraaf stonden ze helemaal onder water, het kwam tot aan Brandwijk. Door de dijkdoorbraak in Papendrecht kwam het water bij hen zo binnen. En die mensen kwamen ook de dijk uit, op weg naar familie. Of andere opvang misschien. Mijn ouders woonden in Graafland, die hebben ook nog verre familie in huis gehad. Het was zo’n rare hectische dag. Er kwamen ook mensen kijken naar het water.”
Meneer Rozendaal had de hele nacht op de dijk gelopen. “ ’s Ochtends werd ik binnengeroepen door vrouw Eegdeman. Ze zei dat ik lang genoeg buiten had gelopen en schonk me een borrel in. En ik mocht lekker warm bij de kachel. Het was koud natuurlijk. Het was winter.”

Burgemeester Brouwers
“Burgemeester Brouwers kenden we wel, hij woonde aan de Binnenhaven in het burgemeestershuis. Maar dat was geen vriend van ons. Wij zijn in ’51 getrouwd en mijn man zat in dienst. Daar verdiende je niks hoor, je kreeg heel weinig geld. Maar een gulden per dag. De gemeente moest je dan geld geven, maar dat deed Brouwers niet. Mijn man zat eens in Assen en dan kwam hij het weekend niet naar huis, want dat kon hij helemaal niet betalen. We waren getrouwd en ik woonde bij mijn ouders in, maar we kregen niks. Hij vond dat niet nodig. Later kregen we 19 gulden in de week. Toen we een zoontje kregen is mijn man naar de burgemeester gegaan, want ja, ons zoontje moest toch ook eten. Nou, we kregen toen wel wat meer geld, maar hij vond het maar niks. We kregen 29 gulden in een week.”
“We weten niet of Brouwers betrokken was bij het dichten van de dijk in Papendrecht. Wel van Mourik, die is daar aan het werk geweest. Ze hebben een schip in het gat laten zakken, maar we weten niet of Mourik dat heeft gedaan. Toen het gat dicht was in Papendrecht, zakte het water weer. Maar dat duurde wel een paar dagen.”

De moeder van mevrouw Rozendaal had kennissen in huis en die zijn een week gebleven.


De heer Rozendaal is inmiddels helaas overleden.